Ariane 6 – Wikipedia

De Ariane 6 is de zesde generatie draagraket van het Arianeprogramma. De ontwikkeling van de Ariane 6 wordt gefinancierd door de ESA, gebouwd door ArianeGroup en geëxploiteerd door Arianespace dat de raketten zal gebruiken voor de lancering van commerciële satellieten.

Het definitieve ontwerp van Ariane 6 werd eind 2014 vastgesteld en sindsdien is de raket in ontwikkeling.[2] De aanvankelijke planning voorzag in een eerste lancering in 2020 en later in 2021.[3] De eerste lancering wordt in oktober 2022 verwacht.[4][5][6]

Zo’n vertraging is overigens niet ongebruikelijk. De ontwikkeling van drie concurreren nieuwe raketten (Vulcan, OmegA en New Glenn) is ook enkele jaren uitgelopen. Met de Ariane 6 zou de kostprijs voor het lanceren van satellieten tot 6500 kg in een geostationaire baan (GTO) rond de aarde beduidend lager moeten uitvallen dan met de Ariane 5. Toch zou de prijs van €85 miljoen voor een lancering met de Ariane 6.4 en €69 miljoen met de Ariane 6.2 te hoog zijn om de concurrentie aan te gaan met SpaceX en Chinese Lange Mars raketten.[7]

De eerste boeking voor een Ariane 6 werd in 2017 gesloten met ESA dat vier Galileo-satellieten wil laten lanceren op twee Ariane 6.2-vluchten. ESA houdt echter de mogelijkheid open om dit door vier Sojoez-raketten van Arianespace te laten gebeuren mocht de Ariane 6 niet op tijd klaar zijn.[8]

Het eerste contract voor commerciële lanceringen werd op 11 september 2018 bekendgemaakt. Het betreft een aantal lanceringen voor Eutelsat.[9] De eerste Ariane 6-lancering zal een aantal satellieten voor satelliet-internetbedrijf OneWeb betreffen. Deze vlucht zal in de 6.2-configuratie zijn.[10]

Op 6 mei 2019 maakte ArianeSpace bekend een eerste serie van 14 Ariane 6-raketten bij ArianeGroup te hebben besteld. Hierbij is niet de testraket voor de eerste vlucht inbegrepen.[11][12]

De Ariane 6 wordt ontwikkeld in twee varianten. De A62-variant met 2 vastebrandstofboosters en een zwaardere variant A64 met 4 vastebrandstofboosters.[13][14]

De lichtere A62 is een medium-lift-configuratie die samen met de toekomstige krachtiger uitvoeringen van de Vega-raket (Vega C en Vega E) de Ariane-Sojoez op den duur overbodig moet maken. De A64-configuratie vervangt de krachtiger Ariane 5. In 2020 werden de totale voorlopige kosten voor de ontwikkeling van Ariane 6 sinds de start van het programma geraamd op 3,8 miljard euro.[15]

Wanneer de eerste en tweede trap aankomen op het Centre Spatial Guyanais (CSG) bij Kourou in Frans-Guyana worden deze in een horizontale integratiehangar aan elkaar gemonteerd. Daarna wordt de raket naar lanceerplatform ELA-4 (Ensemble de Lancement Ariane) verplaatst waar deze overeind gezet wordt. Op ELA-4 is een mobiele, verticale integratiehangar die over het lanceerplatform heen staat. Op die plek worden de vastebrandstofmotoren en de neuskegel met de vracht op de raket gemonteerd. Ook wordt de raket aangesloten op de tank- en lanceersystemen. Daarna wordt de mobiele integratiehangar weg van het lanceerplatform gereden en staat de raket klaar voor de inwerkingstelling van de lanceersequentie.[16]

Motoren[bewerken | brontekst bewerken]

Voor de Ariane 6 zijn drie type raketmotoren ontwikkeld. De P120C vaste raketmotor voor de boosters, de Vulcain 2.1 hoofdmotor en de Vinci voor de bovenste trap. In oktober 2020 waren deze allen getest en goedgekeurd om in gebruik te worden genomen.[17]

P120C[bewerken | brontekst bewerken]

De side-boosters, vaste brandstofmotoren van het type P120C worden ook toegepast als eerste trap van de Vega C een krachtiger uitvoering van de Vega die in 2022 in gebruik genomen zou moeten worden. Dit levert een besparing op de ontwikkelingskosten op. De P120C is de grootste vastebrandstofmotor uit een stuk die ooit werd gebouwd.[18]

Op 16 juli 2018 werd de eerste P120C op lanceerplatform ELA-1 (Vega-platform) van het Centre Spatial Guyanais aan een Static Fire-test onderworpen.[19] Op 28 januari 2019 werd deze test herhaald. Deze eerste twee P120C waren naar Vega-C-specificaties gebouwd. Op 7 oktober 2020 werd ook een P120C Ariane 6-sidebooster getest.[17]

Vulcain 2.1[bewerken | brontekst bewerken]

De Vulcain motor wordt geproduceerd door Snecma Moteurs uit Frankrijk, Avio uit Italië en GKN uit Zweden.[20] De eerste Vulcain 2.1-hoofdmotor is in 2018 en 2019 op het testterrein van de DLR in het Duitse Lampoldshausen getest.[21] Het is een gemoderniseerde versie van de Vulcain die als hoofdmotor van de Ariane 5 wordt gebruikt. De straalpijp is een stuk steviger en moderne technieken als 3D-printen worden toegepast in de productie. De ontsteking vindt plaats vanaf de grond in plaats van in de motor zelf, wat de motor simpeler houdt.

Vinci[bewerken | brontekst bewerken]

De upperstage van de Ariane 6 zal door de nieuwe Vinci-motor worden aangedreven. De ontwikkeling van deze motor begon in 2006 en was aanvankelijk als een upgrade voor de Ariane 5 bedoeld. De Vinci heeft dezelfde specifieke impuls als de RL10 van Aerojet Rocketdyne (Centaur, Delta IV, SLS, OmegA) maar levert 64% meer stuwkracht. In oktober 2018 werd de testfase van de Vinci succesvol afgerond na 15 minuten achter elkaar te hebben gebrand en is deze gecertificeerd voor gebruik.[17][22][23]

Neuskegel[bewerken | brontekst bewerken]

De neuskegel wordt geleverd door RUAG-Space uit Zwitserland dat marktleider is op het gebied van de productie van grote neuskegels.[24]

Lanceerplaats[bewerken | brontekst bewerken]

Lanceerplaats Ariane 6 in aanbouw in 2019

Net als voorgaande Ariane-raketten zal de Ariane 6 vanaf het Centre Spatial Guyanais in Frans-Guyana worden gelanceerd. In 2016 werd gestart met de aanleg van het nieuw te bouwen lanceerplatform (ELA-4) en in september 2021 werd het lanceercomplex geopend. De belangrijkste elementen bestaan uit het lanceerplatform met twee uitlaatkanalen, het mobiele portaal en het assemblagegebouw van het lanceervoertuig.[25] De uiteindelijke integratie van Ariane 6 zal plaatsvinden in het mobiele portaal zoals dat ook gebeurt bij Sojoez en Vega.[26][27]

Voor de ontwikkeling van Ariane 6 werkt ESA samen met meer dan 600 bedrijven in 13 Europese landen waaronder Nederland. De ophangingsframes die de krachten van de motoren van de eerste en tweede trap op de rest van rakettrap overbrengen, zijn bij Airbus Defence and Space in Oegstgeest ontwikkeld en worden daar ook geproduceerd.[28][29]